Ga direct naar: Hoofdinhoud
Geboren
01 maart 1868, Friedrichslohra
Overleden
22 mei 1944, Auschwitz
Wat we weten
Sinti & Roma, Vervolgingsslachtoffer

Het verhaal van Hulda Franzen-Bamberger

Met haar 76 jaar was Hulda Franzen-Bamberger de oudste vrouw onder de 245 Sinti en Roma die op 19 mei 1944 vanuit kamp Westerbork naar Auschwitz-Birkenau werden weggevoerd. Drie dagen eerder, tijdens de landelijke zigeunerrazzia van 16 mei 1944, was zij in Nijmegen als enige Sinti of Roma door de politie opgepakt. Bijgaand portret van Peter Jorna poogt een beeld te geven van deze Sinti-vrouw. Hoe zag de familie van Hulda Franzen-Bamberger eruit en wat was de impact van de Tweede Wereldoorlog op haar en haar familie?

Op de Westerborklijst van binnengebrachte arrestanten staat als haar letzte Adresse de Lompenkramersgas 11 in Nijmegen vermeld. Hulda Franzen-Bamberger werd op 1 maart 1868 in Friedrichslohra geboren, een dorp in midden Duitsland. Op 22 mei 1944, een dag na aankomst in het Zigeunerlager van Auschwitz-Birkenau, werden de Sinti en Roma uit Nederland opnieuw geregistreerd, ditmaal met een nummer op het lichaam gegraveerd, op de arm, voorzien van een Z, van ‘Zigeuner’. Hulda Franzen werd Häftlingsnummer 10757. De familienaam waarmee zij geboren was, is achterwege gebleven en als plaats van geboorte staat nu Nordhausen vermeld. In dit stadje in de buurt van Friedrichslohra is kennelijk ook aangifte van haar geboorte gedaan.

Bij de dood van een ‘Zigeunerkoning’

Hulda Franzen-Bamberger was ten tijde van de zigeunerrazzia al een jaar weduwe. Op 5 mei 1943 overleed haar man Karel Franzen op 79-jarige leeftijd in Nijmegen. Ze woonden al sinds vele jaren in de benedenstad, dicht bij de Waal in een steeg bij het burgergasthuis en het klooster. De Lompenkramersgas 11. Haar man was paardenhandelaar en violist. Onder grote belangstelling – misschien wel begeleid door muziek - is van hem afscheid genomen. Eerst in de Carmelkerk en daarna op de Rooms-Katholieke begraafplaats aan de Daalseweg in Nijmegen-Oost.  

Het was niet meer dan een klein bericht in dat oorlogsjaar, maar wel in vele kranten tegelijk. Zowel de regionale als landelijke pers maakte van de begrafenis melding. ‘Den oudsten zigeuner van Nederland … erkend als koning der zigeuners’ was overleden. Johann Wilhelm Franzen, zoals de doopnamen van Karel luidden, genoot aanzien ‘in het geheele land’ en was vader ‘van twee- en twintig kinderen’, 16 van hen ‘nog in leven’. Als zijn geboorteplaats stond ‘Pogentia’ vermeld, ergens in het oude keizerrijk Oostenrijk-Hongarije. Het was de oude naam (Pozgentia) voor het huidige Bratislava, de hoofdstad van Slowakije.

De begraafplaats - gered van ruiming en inmiddels erfgoed - bevat een plattegrond bij de poort, met nummers van graven. Achter op het terrein vond ik de laatste rustplaats van de oude Franzen. Sober maar stijlvol, met een viooltje van hout. Tien in de regen glanzende plavuizen oogden nieuw maar het metalen naambordje bladderde af. Zo te zien had Franzen voor zijn vrouw al een plaatsje laten reserveren: ‘Hulda Bamberger, echtgenoot van Karel Franzen’. De datum van haar geboorte staat erop. Alleen haar sterfdatum was opengelaten voor wanneer ook haar tijd gekomen was.

Het gezin Franzen

De oudjes hadden al voor de oorlog hun woonwagen vaarwelgezegd en een huisje betrokken in de stad die zij op hun reizen door Nederland zo dikwijls hadden aangedaan. Regelmatig komt de Keizer Karelstad voor in de registers, zowel die van de Rooms-Katholieke kerk als die van de burgerlijke stand, als het gaat om het echtpaar. Zo werd in Nijmegen hun dochter Hulda (1914) geboren. Hulda trouwde in 1937 met Lüdwig Grünholz (1914), vioolmaker uit een Duitse familie van muzikanten. Uit dat huwelijk kwamen meerdere kleinkinderen: Julia (1934), Aloïsia Alwine (1939), Lüdwig (1940), Heinrich (1942) en tenslotte Conrad (1943). 

De oude Hulda had in totaal vier kinderen met Karel Franzen, drie dochters en een zoon, Hendrik Franzen (1919). Hendrik leefde eerst in Nijmegen, maar trok later net als zijn zus Hulda naar Den Haag, zo valt af te leiden uit de geboortedata van zijn kinderen. Waar hij met zijn vrouw Alwine Grünholz (1920) van de eerste twee kinderen nog aangifte deed in Nijmegen (Rosa, 11 mei 1940 en Sophia Maria op 10 januari 1942), daar vond de aangifte van het jongste lid van het gezin plaats in onze Hofstad (Lüdwig, 1 november 1943). Zowel Hendrik als zus Hulda vestigden zich met hun gezin in Den Haag op de Veenkade, waar de politie hun woonwagens – een kamp was er niet meer – inschreef op huisnummers 120 en 121.

Daar dichtbij, aan de Hemsterhuisstraat 145, woonde tijdens de oorlogsjaren ook het gezin van een oudere zus Maria Franzen die op dat moment al was overleden. Haar echtgenoot was Adolf Punt (in zijn persoonsbewijs staat Pümt) (1904), met wie ze acht kinderen had gekregen. Na sluiting van het woonwagenkamp bij Loosduinen, was Adolf met zijn kinderen in het begin van de oorlog naar de Haagse binnenstad geëvacueerd. 

Daar in de buurt ontstond - zeker na de sluiting van een ander Haags woonwagenkamp aan de Slachthuiskade in 1942  - het zogenoemde Haagse Zigeunergetto. Het aantal inschrijvingen van Sinti en Roma liep in korte tijd op naar 113, in 13 straten op 22 huisadressen. De herplaatsing in huizen voltrok zich onder de voorwaarden van de politie – registratie als ‘zigeuner’ – en viel samen met de toevlucht van families elders uit Nederland. Maatregelen in het land om deze bevolkingsgroep te beteugelen en te concentreren - een trekverbod en de ‘samentrekking’ per 1 juli 1943 - voorspelden immers niet veel goeds. Uiteindelijk leverde Den Haag tijdens de Zigeuneraktion op grond van het Auschwitz Erlass (Berlijn, 16 december 1942) het grootste aandeel arrestanten in het Nederlandse Zigeunertransport.

De oudste dochter van Hulda Bamberger en Karel Franzen stond ten slotte sinds 1937 op het woonwagenkamp van Eindhoven. Katharina Robertina Franzen (1909) was in Heerlen (1931) getrouwd met Adam Reinhardt (1902), zo laat het register van vergunningen zien voor hun woonwagen in die gemeente. In dit gezin had Hulda Franzen-Bamberger vier kleinkinderen.

Stadsbombardement in Nijmegen

Een oudere kleindochter van Hulda kwam om bij het Nijmeegse stadsbombardement in februari 1944. Uit een eerdere relatie, met de vroeg gestorven muzikant Bernard Weiss, had de weduwe Hulda Bamberger namelijk ook (klein)kinderen, van wie sommigen in de oorlogsjaren bij haar in de buurt woonden. Kleindochter Elisabeth Theresia Wijs (1915) trouwde in de jaren ‘30  bijvoorbeeld in Nijmegen met een ‘reiziger om den brode’ uit Neerbosch-Oost (het woonwagenkamp aan de rand van de stad): Antonius Charles Stuiver (1912). Samen waren zij van alle markten thuis: hij was scharenslijper, venter en vioolbouwer; zij leurde langs de deuren, als koopvrouw in galanterieën. Het gezin Stuiver-Wijs had vijf kinderen.

De woonwagenfamilie Stuiver heeft na de zomer van 1943 een leegstaand pand toegewezen gekregen in de Stikke Hezelstraat, op nummer 41. Dat pand was sinds begin 20e eeuw van de Joodse juwelier Glaser geweest. Weduwe Helena Glaser-Egger was in 1942 opgehaald en weggevoerd naar kamp Westerbork. Van woonwagenfamilies is bekend dat zij in huizen zijn getrokken toen de politie vanaf begin 1944 woonwagens met paard en al in beslag begon te nemen. Tijdens het (vergissings)luchtbombardement van de geallieerden op 22 februari 1944 kwamen diverse leden van de familie Stuiver om, toen de toren van de Stevenskerk neerstortte op de huizen in de Stikke Hezelstraat. Hieronder ook Elisabeth.
 

Een foto van Elisabeth Wijs uit het familiearchief

 

 

Een jongere stiefbroer van Elisabeth is bij het bombardement ongedeerd gebleven: Johan ‘Lolo’ Grünholz. Van deze kleinzoon van Hulda Bamberger liggen er verblijfsadressen op een steenworp afstand van de zogenoemde brandgrens van het bombardement, dus dicht bij het huis van zijn mami (grootmoeder) in de Lompenkramerssteeg, op Priemstraat 10 en Smidstraat 11. 

Lolo is twee weken na het Nijmeegse bombardement opgepakt (7 maart 1944), op woonwagenkamp de Zwaaikom in Eindhoven. Vermoedelijk was hij op bezoek bij familie. Nederlandse politie voerde Lolo af naar kamp Amersfoort, voor de Arbeitseinsatz. Daarvandaan is Johan Grünholz op 18 april 1944 samen met andere Nederlandse gevangenen naar Duitsland getransporteerd, voor tewerkstelling in de oorlogsindustrie. Tot 2 november 1944 verrichtte hij dwangarbeid bij Weimar vanuit kamp Buchenwald, waar eind juli 1944 ook zijn vader - vanuit Auschwitz - naartoe zou worden overgeplaatst. Lolo maakte de bevrijding mee in april 1945, in een werkkamp bij Halberstadt.

Een brief uit Nijmegen

De vader van Elisabeth Wijs of Weiss, en (dus) zoon van Hulda en Bernard, heette Heinrich Weiss (1893). Hij woonde tijdens de oorlog bij zijn moeder in de buurt, aan de Priemstraat 10, maar opgepakt is hij in 's-Hertogenbosch. Een paar dagen voor die grote zigeunerrazzia in Nederland (16 mei 1944) woonde op dit adres een ander familielid: Hendrik Steinbach. Deze jongeman stuurde op 10 mei 1944 een brief naar zijn zwager in België, Joseph Willem Bordes Bamberger, per adres het ministerie van Openbare Veiligheid in Brussel. Hendrik maakte zich namelijk zorgen over zijn ‘zeer beminde Schwager’ en zijn gezin. Ze zaten al zo lang onschuldig vast in een Belgische gevangenis, schreef hij. 

Eerste pagina van de brief, mei 1944, collectie RomArchive

Zwager Jozef Bamberger heeft de brief echter niet te lezen gekregen. Hij was reeds met zijn vrouw en hun drie kinderen naar Auschwitz gedeporteerd, op 15 januari 1944, in het ‘Zigeunerkonvooi’ van 352 Sinti en Roma dat vanuit de Dossinkazerne aan de rand van de stad Mechelen vertrokken was. Op 31 maart 1944 is hij vermoord in Auschwitz-Birkenau.  

Jozef's vrouw Elisa(beth) is eind juli 1944 nog Transportiert, zo vermeldt het Frauenbuch van de kampadministratie, dus aan de vooravond van de vernietiging van het Zigeunerlager (2 op 3 augustus 1944). Samen met andere vrouwen - waaronder ook 37 uit het Nederlandse transport –is Elisa geselecteerd voor arbeid en vervoerd naar Ravensbrück waar zij vermoedelijk is bezweken. Hun drie kinderen, onder wie Peter, zijn in Auschwitz vermoord.

Zigeuneraktion in Nederland

Hulda Franzen-Bamberger is in de vroege kille ochtend van 16 mei 1944 als enige uit Nijmegen opgehaald. Hulda maakte – onder gewapende escorte - deel uit van de ‘zigeuneraanvoer’ uit het zuiden. Meer dan 100 arrestanten in geblindeerde coupés en goederenwagons. In kamp Westerbork zag Hulda Franzen-Bamberger voor het eerst veel familie. Uit Eindhoven kwam Robertina Katharina Franzen, met vier kinderen. Uit Den Bosch haar zoon Heinrich Weiss, daar opgepakt terwijl hij op bezoek was bij zijn zoons August en Carl Grünholz - beiden broers van Lolo die zonder dat iemand dat wist inmiddels al in Buchenwald zat. 

Om 17.00 uur kwamen deze meer dan 100 Sinti, Roma en (ook) reizigers na een lange reis met diverse stops via station Assen aan op het perron van doorgangskamp Westerbork. In het tijdelijk onderkomen in de kampbarak van Westerbork trof Hulda nog meer familie. Die ochtend, om 7.15 uur, was namelijk al een “zending” binnengebracht vanuit het noordelijke politiedistrict, waaronder twee gezinnen vanuit een woonwagenverzamelkamp bij Eursinge. Met acht kinderen is het gezin van Hulda’s dochter Anna Maria Weiss-Bamberger (1898) en schoonzoon Adam Weiss (1893) op de lijst van Westerbork gezet. Een paar uur na Hulda’s aankomst in Westerbork arriveerde vroeg in de avond nog een volle trein, om 20.00 uur met vele Sinti uit Den Haag. Opnieuw met veel familieleden van de weduwe, zo’n 21 kleinkinderen.

Deportatie

Bij de begrafenis van Hulda’s man Karel in Nijmegen, precies twee jaar voor de bevrijding van Nederland, werd stilgestaan bij de omvang van de familie als een bron van trots en rijkdom. Op 5 mei 1945 was de situatie net als bij vele andere Sinti en Roma families in Nederland en elders in Europa dramatisch gewijzigd. Vele verwanten, kinderen en kleinkinderen zijn vermoord in de nazikampen. De meeste familieleden van Hulda zijn opgepakt in Nederland, maar ook in België en zelfs in Pruisen waar in Brest-Litowsk bij een razzia op 14 april 1944 nog een dochter is gearresteerd en weggevoerd: Anna Maria Juliana ‘Veihs’ Bamberger (1897), met drie kinderen van wie er twee in de jaren ‘30 in Limburg geboren waren. In België is een zus van Hulda opgepakt, Karolina Weiss-Bamberger (1867) met dochter, zoon, diens vrouw en vier van hun kinderen.

Van Hulda’s familie maakten sommigen de bevrijding in april-mei 1945 mee. Ook wisten enkelen aan razzia of transport te ontkomen, in de onderduik, omdat zij een relatie hadden met een niet-Sinti of Roma, vanwege hun muzikale talenten en /of geholpen door anderen (zoals een agent in verzet). En, niet in de laatste plaats,  door onderlinge steun en uitwisseling, bijvoorbeeld in de vorm van duikadresjes, smeekbrieven en voedselbonnen.

Hulda Franzen-Bamberger is niet te ruste gelegd in Nijmegen, op het gereserveerde plekje naast haar man. De oudste vrouw van het Nederlandse Sinti en Roma transport uit Westerbork is door de nazi’s vermoord in de gaskamers van Auschwitz-Birkenau, op 2/3 augustus 1944, samen met vele andere Sinti en Roma, uit binnen- en buitenland.

Noot van de auteur

Eerder is wel eens opgemerkt dat in Nederland, vergeleken met Duitsland, nauwelijks foto’s voorkomen in Sinti en Roma familiegeschiedenissen in relatie tot de Tweede Wereldoorlog. In Nederland staat het tonen van beelden en namen van slachtoffers in deze cultuur op gespannen voet met (publiekelijk) herdenken. In deze portretversie van de familie Franzen-Bamberger is een foto gebruikt die vanuit familiekring beschikbaar  is gesteld.  De weduwe Hulda Franzen-Bamberger heeft zo toch een gezicht gekregen. 

Meer informatie

Dit verhaal werd geschreven door Peter Jorna in het kader van het Nationaal Programma Herdenking Vervolging Sinti & Roma. 

Foto: familiearchief Grünholz

In de collectie

Het verhaal van Hulda Franzen-Bamberger - Kamp Westerbork, De Digitale Collectie