Ga direct naar: Hoofdinhoud
  • Geboren16 december 1927, Rotterdam
  • Overleden30 juni 2003, Stein (administratief)30 juni 2003, Stein (waarschijnlijk)
  • Wat we wetenDeportatie overleefd, Sinti & Roma

Het verhaal van Magdalena Berger

Magdalena Berger werd samen met haar gezinsleden vanuit Den Haag op 16 mei 1944 naar kamp Westerbork overgebracht. Drie dagen later volgde deportatie naar Auschwitz-Birkenau. Tegenwoordig herinnert een monument in onze Hofstad aan hun lot.

Het monument aan de Vondelstraat in Den Haag bestaat uit een met bronzen platen bedekte kubus, geplaatst ter nagedachtenis aan de vermoorde Sinti en Roma die in de nacht van 15 op 16 mei 1944 tijdens de landelijke razzia gericht uit Den Haag werden weggevoerd. Op de kubus is een plaquette aangebracht, die eerder aan de overkant van de straat bij de ingang van een verdwenen hofje aan de Bilderdijkstraat heeft gehangen. In dit hofje woonde tijdens de Tweede Wereldoorlog gedurende korte tijd de familie Berger. Zij waren in 1942 uit Duitsland gevlucht voor het geweld tegen Sinti en Roma aldaar.   

Op de bewuste nacht in 1944 werden alle 19 in Den Haag verblijvende Sinti en Roma gezinnen in opdracht van de nazi’s door de Nederlandse politie uit hun huizen en woonwagens gehaald. Na een kort verblijf op het politiebureau werden zij in met dekzeil afgesloten vrachtauto’s naar het station gebracht en vervolgens met de trein van 8.00 uur naar Westerbork weggevoerd.

De familie Berger woonde met negen personen in het hofje: vader Renold Berger (1887), moeder Elisabeth Berger-Weiss (1894), en hun drie zoons en vier dochters. Van deze negen leden van de familie Berger wisten uiteindelijk slechts twee de oorlog te overleven: Magdalena (1927) en Joseph (1931).

Terug naar de Veenkade

Het VPRO radioprogramma Het spoor terug maakte in 1986 een reportage over de vervolging van de Nederlandse Sinti en Roma gemeenschap. De makers reisden daarvoor onder andere af naar de Veenkade in Den Haag, waar tijdens de oorlog veel Sinti en Roma woonachtig waren geweest. Ze gingen daar op zoek naar overlevenden en ooggetuigen, die destijds de zwarte nacht van 15 op 16 mei 1944 hadden meegemaakt. Er leefden er in 1986 nog een aantal.

‘Het was een gemeenschap op zich’, zo herinnerde zich bijvoorbeeld een buurtbewoner die in 1944 vlakbij de Veenkade leefde. ‘Je herkende ze direct aan hun lange slordige haren, dat vonden wij als kind natuurlijk wel interessant. Later hebben we ze nooit meer gezien. Je hoorde weleens wat van anderen. Mijn moeder vertelde dat het gerucht ging dat ze niet uit de oorlog teruggekomen waren, maar er werd eigenlijk nooit over gesproken.’

Of zoals een andere buurtbewoonster het verwoordde: 

“Je zag de kinderen op blote voeten lopen, wat de ouders deden wist je niet. Je zag ze nooit, want die gingen er op uit om wat te verdienen, het was pure armoede. Later waren ze gewoon weg. Er kwamen andere mensen in de huisjes wonen, Nederlanders.”

Magdalena Berger

Voor het genoemde radioprogramma werd ook Magdalena Berger geïnterviewd. Ze woonde op dat moment in een woonwagen in Maasbracht. Het was een plek van samenkomst waar kinderen en kleinkinderen in en uit liepen. Magdalena, toen zestien jaar oud, kon zich meer dan 40 jaar later nog goed de razzia in 1944 herinneren, zo vertelde ze tegen de radiomakers. Ze had zich mogen aankleden en zoveel mogelijk spullen kunnen pakken. Samen met haar familie had ze te horen gekregen dat ze naar ‘een dorp zouden gaan en een huis zouden krijgen’. De mannen zouden daar gaan werken, terwijl de kinderen er naar school konden gaan en de vrouwen thuis “mochten” blijven voor het huishouden. Er leek niets aan de hand. Iedereen ging mee zonder zich te verzetten, aldus Magdalena.

In Westerbork waren ze kaalgeschoren en op de trein naar Auschwitz gezet. 

“Als vee werden we in wagons gestopt. Ik weet niet hoelang de reis geduurd heeft. In Auschwitz mochten we als familie bij elkaar blijven. We zaten in een “keet” met 60 - 70 mensen en daar stonden drie stapelbedden van drie lagen. Iedere familie kreeg één laag toegewezen.”

Magdalena moest hard werken in het Duitse vernietigingskamp: stenen sjouwen en stenen kloppen, omdat er een weg gemaakt moest worden naar het crematorium. Ze had er de meest verschrikkelijke dingen met de Joden zien gebeuren. 

“Ze gingen levend de crematoria in en werden verbrand. Wij hebben geluk gehad, wij zijn teruggekomen. Maar de meesten zijn allemaal gebleven. We waren jong en konden werken, anders waren we ook niet teruggekomen. Na drie maanden moest mijn vader weg met de mannen, toen mijn broers ook allemaal en wij, de meisjes. Mijn moeder bleef achter met mijn grote zus Karoline en haar dochtertje, eveneens Karoline geheten, van twee jaar oud. Later hoorden we dat degenen die achterbleven direct de oven in gegaan zijn.”

Magdalena kwam na Auschwitz in Bergen-Belsen, Leipzig, Birkenau en Dachau terecht. Ze stierf er bijna van de honger, maar wist uiteindelijk ternauwernood te overleven. Na de oorlog keerde Magdalena terug naar Nederland, waar ze uitgeput aankwam. Tijdens het interview in 1986 vertelde Magdalena dat ze als gevolg van haar tijd in de kampen vrijwel niets meer kon ondernemen. Desondanks was een uitkering afgewezen: ‘U bent niet ziek, u bent gezond’, had ze te horen gekregen. 

Uiteindelijk kreeg Magdalena jaarlijks 500 gulden aan ‘vakantiegeld’ toegewezen en ‘hulp in de huishouding’. Recht op meer had ze niet, aldus de instanties, want ze was inmiddels getrouwd en haar man was kostwinner. Wel ontving ze later van Duitsland 1600 marken aan ‘Wiedergutmachungsgeld’. 

Magdalena Berger is in juni 2003 overleden.

Meer informatie

Dit verhaal werd geschreven door Yvonne Vos in het kader van het Nationaal Programma Herdenking Vervolging Sinti & Roma.  

Foto: Nationaal Comité 4 en 5 mei 

In de collectie

Collectie

Platform in ontwikkelingWe zijn druk bezig met het toevoegen en aanvullen van informatie op deze website. We voegen dagelijks nieuwe collectiestukken toe en vullen persoonsgegevens aan, dus kom zeker nog eens terug!